De Koninklijke Pruisische Aziatische Compagnie 1751 - 1757 In September 1752 liep voor het eerst een schip onder Pruisische vlag de haven van de Chinese stad Kanton binnen. De König von Preussen was zes maanden daarvoor vanuit de Noord-Duitse havenstad Emden vertrokken om in China thee, zijde en porselein te kopen. Opdrachtgever was de Koninklijke Pruisische Aziatische Compagnie; een nieuwe Europese handelsonderneming waarbij Nederlandse en Vlaamse financiers betrokken waren. Omdat Pruisen geen goederen voor de Chinese markt kon produceren, voerde de König een kostbare lading van zilveren piasters met zich mee.Het economisch denken in het Europa van de achttiende eeuw werd beheerst door het zogenaamde 'mercantilisme'. Deze staatseconomieleer had een groot effect op het handelen van regeringen en kooplieden. Volgens het mercantilisme zou elke natie verzwakken, als ze voor bepaalde produkten of waren op het buitenland was aangewezen. Als bijvoorbeeld een Europees land zonder grote scheepvaarttraditie goederen van de Nederlandse Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) zou kopen, zou een deel van haar binnenlands kapitaal naar de Nederlanden vloeien. Volgens het mercantilisme was het daarom beter een eigen handelscompagnie op te richten en zo al het eigen kapitaal te behouden. Gesteund door deze gedachtengang bevorderden koningen en kooplieden in landen als Denemarken, Zweden en de Oostenrijkse Nederlanden de oprichting van Indische-, Bengaalse- en Chinese compagnieën. Deze ontwikkeling werd met lede ogen aangezien door de bestaande handelscompagnieën; de VOC en de Engelse East India Company (EIC). Deze maatschappijen dwarsboomden hun nieuwe concurrenten op elk denkbare manier. Zo werd de Oostenrijkse keizer in 1731, na jarenlange politieke intriges van Engeland en de Nederlandse Republiek, gedwongen om de succesvolle Vlaamse 'Compagnie van Oostende' te ontbinden. Het koninkrijk Pruisen, een Europese macht in opkomst, werd sinds 1740 geregeerd door Frederik de Grote, een verlicht despoot die volledig in de ban van het mercantilisme was geraakt. De import van koloniale goederen in Pruisen ergerde Frederik dan ook vooral omdat deze werd beheerst door de Nederlanders. "Die Holländer, swach und ohne Kredit, haben nicht genug Einsicht um zu erkennen, wen sie lieben oder hassen sollen", schreef de koning in zijn politiek testament van 1752. De stichting van een Pruisische Aziatische Compagnie was onvermijdbaar: "…weil das ein Handelszweig der Holländer ist, den wir so für uns erwerben." De Koninklijke Compagnie Het Duitse vorstendom Oost-Friesland werd in 1744, na het uitsterven van het regerende geslacht Cirksena, door Pruisische troepen bezet. Hiermee kreeg Pruisen voor het eerst toegang tot de Noordzee. Vooral de havenstad Emden, gunstig gelegen aan de monding van de Eems, bood perspectief. In de vijftiende eeuw was Emden een belangrijke overslaghaven geweest. Door het uiteenvallen van de Hanze en het dichtslibben van de haven was de stad in verval geraakt. De Pruisische machtsovername betekende voor Emden het begin van een nieuwe bloeitijd. Niet alleen gaf koning Frederik de stad de status van vrijhaven en liet hij de vaargeul uitbaggeren - hij bemoeide zich ook persoonlijkmet de pogingen van Franse, Vlaamse en Hollandse zakenlieden om in Emden een Pruisische Aziatische compagnie te vestigen. Uiteindelijk verleende de koning op 13 juni 1751 een oktrooi aan een groep van zes financiers: de heren Forbes d'Alfort en Dilon uit Rotterdam, Van Ertborn uit Antwerpen, Splittgerber uit Berlijn, Hofrat Schmidt uit Frankfurt en burgemeester De Pottere uit Emden. Het koninklijk privilege gaf deze groep het monopolie voor de handelsvaart tussen China en Pruisen en het recht om in naam van Frederik verdragen met Aziatische vorsten af te sluiten. Ook mochten de schepen het Pruisische Pavillon (een witte vlag met een zwarte gekroonde adelaar) voeren. De Königlich Preußische Asiatische Handlungs-Compagnie (KPAC); met een aandelenkapitaal ter waarde van 400.000 Reichstaler, was een feit.De KPAC was een kleine compagnie maar had, vergeleken met het bijvoorbeeld het logge bestuursapperaat van de VOC, een uiterst daadkrachtige directie die snel op allerlei marktontwikkelingen inspeelde. Nog in 1751 kocht de Compagnie twee grote koopvaarders in Engeland. In Emden werden de schepen met zware kanonnen bewapend en kwam de bemanning aan boord. Onder de officieren en matrozen die aanmonsterden voor de eerste Chinavaart bevonden zich niet alleen Duitsers, maar ook Denen, Schotten en Vlamingen. De Pruisen in China Het eerste KPAC-schip; de König von Preussen vertrok op 15 februari 1752 met 120 manschappen uit de haven van Emden. De lading bestond uit "einige feine Tücher und Etamins, eine Partie Bley, silberen Tee kessel " en een grote hoeveelheid ronde vaatjes tot de rand gevuld met zilveren piasters. De handelsmunten vertegenwoordigden een tegenwaarde van 216.000 Reichstaler. In september 1752 arriveerde de König na een reis van zes maanden op de rede van de havenstad Kanton. Gedurende de heenreis werd het schip verscheidene malen op zee aangehouden door Nederlandse en Engelse oorlogsschepen die de nationaliteit van de bemanningsleden wilden controleren. Beide naties hadden hun onderdanen verboden om in dienst van de Pruisische Compagnie te treden. Ook was het de 'König' niet toegestaan om voor de Nederlandse Kaapkolonie te ankeren en daar verversingen aan boord te nemen. In Kanton werd het schip hoffelijk verwelkomd door de Hoppo; een hoge gezagsdrager die verantwoordelijk was voor de westerse handel in de havenstad. In het gevolg van de Hoppo en zijn mandarijnen kwamen ook de muntmeesters aan boord van het compagnieschip. "Die Sinesen, die vorhero schon vieles von den Preußen gehört, haben sich gefreuet, diese Nation auch kennen zu lernen, auch ihr sogleich alle Freiheit zugestanden, so andere Nationes dort genießen", zo schrijft de Pruisische ambtenaar Daniel Lentz aan koning Frederik. De Chinezen waren vooral onder de indruk van de Pruisische vlag: "Wir haben dergleichen großen Vogel schon ehemals hier gesehen, aber ihm keine Dauer zugetrauet, weil er zwei Köpfe hatte. Dieser große Vogel, der nur einen Kopf hat, wird es länger aushalten." De Chinese edelman doelde op de vlag met de dubbele adelaar die door de schepen van de Vlaamse Oostendse Compagnie werd gevoerd. De voorspelling zou niet uitkomen. Hoewel de retourlading van de 'König' een grote winst opleverde en de KPAC later nog vier schepen - elk met een lading van zilveren piasters met een gemiddelde waarde van 200.000 Reichstaler - naar Kanton stuurde, werd de onderneming geruïneerd door het uitbreken van de Zevenjarige oorlog. Oost-Friesland werd in 1757 bezet door Franse regimenten waarna de haven van Emden voor een lange periode werd afgesloten. De KPAC werd ontbonden. Pas in 1767 kwamen Pruisische kooplieden weer tot de oprichting van een nieuwe Aziatische handelsonderneming; maar de winsten van de eerste Koninklijke Compagnie werden nooit meer geëvenaard.